Home

Belgisch biercafé Boudewijn is eigenlijk een beetje een gekke tent. Je komt binnen en loopt meteen tegen een bar aan die vrij groot lijkt voor de ruimte waar je instapt. Dan blijkt dat je nog omhoog kunt naar de vide of omlaag. En als je doorloopt sta je inene in een geweldige binnentuin. Zelfs zonder bier ben je de oriëntatie kwijt. Aan de bar, zoals ’t een Belgisch café betaamt, veel glimmend koper. Geen Belgen alleen, zelfs niet achter de tap.

Daar staan voornamelijk studenten heb ik het idee. Ook bijzonder: op de tap sowieso twee bieren uit Texel en een witte Trapist uit Tilburg. Daar is toch echt geen druppel Vlaams aan. Ik was er deze maand twee keer. Voor het gemak mix ik de twee verhalen, dan kan ik er meer over vertellen.

Met een Texelse Springtij, een lentebok, zit ik aan de bar. Mijn barmaat B krabbelt peinzend in zijn baard en kiest heel dubieus voor een Mama van brouwerij Oepidus. Een prima keus begrijp ik als je van pale ale houdt en ingewikkelde familierelaties je niet weerhouden. ‘Je drinkt er ook geen vijf van.’ Nee, dat is ook weer zo. De bitterballen zijn, zo vertelt het bordje op de bar me, prijswinnend. Er moesten voor een bruiloft jurkjes worden aangeschaft, dus hongerig zijn we wel na een middag winkelen. (Ik zei toch, dit zijn twee verhalen door elkaar). Het blijken zeker goeie bitterballen te zijn. Met grove mosterd die een tikje nuffig z’n eigen potje heeft. Qua temperatuur zijn de ballen warm, maar niet gierend heet. Ik weet overigens niet of dat een min- of pluspunt is. Geen brandwonden in ieder geval, dat is ook wel eens anders geweest.

VAN LAMME GOODZAK TOT ZEEZUIPER

De bierkaart wordt doorgebladerd en daar staan mooie zaken in. Van een Lamme Goedzak tot een Zeezuiper en van een Boddingtons tot een Duchesse de Bourgogne. Hier wel veel Vlaams. Ik hou me in en kies een Witte Trappist van de tap. Mijn charmante bargenote F (juist, daar waren de jurkjes voor) houdt ’t bij witte wijn. Ze drinkt overigens meestal gewoon bier mee, maar vandaag had ze daar geen goesting in.

Omdat het zaterdagmiddag is en de zin in koken met elke slok verder afstand neemt van de ons beschikbare mogelijkheden, besluiten we iets te eten. En toen werd het spannend. Want ja, hoe was dat hier ook al weer? Volgens ons kon dat alle kanten op, van goed tot redelijk tot nou nou. Dat was, eerlijk is eerlijk, een behoorlijk tijdje geleden. We bestellen soep, friet en een entrecote met béarnaise en nemen afwachtend een slokje van bier en wijn. Met een zwier worden er mooie goudgele friet, een heel aardig soepje en een mals stuk vlees voor ons neus gezet. Geen poeha op de borden, wel prima eten. En laten we wel wezen, verfijning in een biercafé is als ketchup op oesters, het hoort gewoon niet.

De conclusie? Als je het mij vraagt blijft ’t een tikje vreemde tent. Voor een Belgisch biercafé hebben ze maar een flinterdun laagje Belg. Daar helpen nog geen muren vol ingelijste Boudewijns aan (sowieso, BoudeWIJN en een BIERcafé, valt mij dat als enige op?). Maar zoals de reclame ons vroeger leerde, vreemd kan best lekker zijn. Mij zien ze er vast wel weer terug.

Dit artikel verscheen eerder op De Buik van Rotterdam.

Advertenties